Naar boven ^^^

U leest: Koeweit: Ook wij zijn niet vrij van zonden

Dagblad de Pers / Reisverhalen

Koeweit: Ook wij zijn niet vrij van zonden

april 2011

In de Koran staat dat elke goede moslim verplicht is om de armen te helpen. Veel Koeweiti vinden deze regel echter niet van toepassing op de honderdduizenden gastarbeiders.

‘Er staat nergens in de Koran dat slavernij niet mag. Wel dat het niet gewenst is.’ Studente Rana lacht een bitter lachje. Ze houdt van haar land, maar ze schaamt zich rot voor de manier waarop Koeweiti omgaan met hun personeel. Elke week staan er verhalen in de krant over misbruikte huishoudsters, bouwvakkers die van grote hoogten vallen, mensen die hier hun hele leven wonen, maar de dokter niet kunnen betalen omdat ze de juiste papieren niet hebben.

‘We zijn opgevoed met nanny’s,’ zegt Rana. ‘Wie gewend is aan mensen om zich heen die alles voor je doen, groeit soms op zonder ooit dankjewel te zeggen. Er is veel discriminatie hier. De Koeweiti’s staan boven alles, dat zit diep.’

Elke Koeweiti heeft een paar visa te vergeven, zodat hij personeel kan aannemen. Een nanny natuurlijk. Een huishoudster. Een chauffeur. Personeel uit de Filippijnen, Bangladesh, Pakistan. Obers, taxichauffeurs, restaurantmanagers, bouwvakkers, vissers, leraren, verpleegsters.

Het zijn zonder uitzondering expats, en dat staat hier dus niet voor een internationale elite. Het is het leger werkenden dat het land draaiende houdt, met salarissen die zelden meer dan eentiende zijn van wat een Koeweiti verdient. Veel Egyptenaren en Syriërs komen hier een paar jaar werken. Voor hen is het een hard land, vol kosten en bureaucratie. Maar ze kunnen tenminste terug naar huis als ze willen, met de bus of met de auto.

Een gunst

De schoonmakers uit Bangladesh verdienen niet genoeg voor de vliegreis naar huis. Ze verdienen het geld voor kinderen die ze niet zien opgroeien. Voor de Aziatische huishoudsters is het soms zelfs een regelrechte hel. Ze krijgen niet betaald, mogen maar een paar uur per nacht slapen, zijn geheel afhankelijk van hun baas.

Deze afhankelijkheid is te vatten in het begrip kafeel: garant staan. Elke immigrant heeft een kafeel nodig om een ticket te betalen en een visum te krijgen. Je betaalt degene die voor jou garant staat een jaarlijks bedrag voor deze gunst. En je betaalt de overheid voor je verblijfsvergunning.

Het lijkt tegenstrijdig met de islamitische inslag van dit land. Vijf keer per dag wordt opgeroepen tot gebed, op televisie houden geleerden discussies over zakat, de plicht om aalmoezen te geven aan armen, een van de vijf zuilen van de islam. Goede burgers zetten mooi vormgegeven kraantjes neer op straat, zodat iedereen gratis schoon drinkwater heeft. De staat laat bovendien vrijgevig huizen bouwen voor alle Koeweiti. Maar de Bengalen die elke dag in de kokende zon het cement mengen, slapen ’s avonds met zijn twintigen in een tweekamerappartement en krijgen een klap als ze te langzaam werken.

Geen religie

‘Laat je niet voor de gek houden, de manier waarop we hier met de expats omgaan heeft niks met de islam te maken’, benadrukt Duaa (33). De ingenieur werkt ’s avonds vrijwillig in het Ties Centre, een religieus centrum in de stad, waar mensen les krijgen over de Koran, Arabisch kunnen leren en terechtkunnen voor sociale clubjes.

‘Hoe de Koeweiti omgaan met hun personeel, dat is cultuur, geen religie.’ Het slecht behandelen van personeel is een zonde, vindt Yousif. ‘Maar zo zijn er wel meer zonden waar we ons hier schuldig aan maken. Trots is een zonde. Geld lenen ook. Je zou verbaasd staan over de hoeveelheid vrome moslims die hier in een auto rijdt die op afbetaling is gekocht. Mensen houden zich aan de regels die hen uitkomen. Dat gebeurt in elke religie.’

De meerderheid van haar landgenoten behandelt anderen trouwens uitstekend, wil Yousif graag benadrukken. ‘Sommige nanny’s hebben op zondag vrij, kunnen naar de kerk, krijgen vliegtickets naar huis, hebben een mooie kamer. En alle migranten verdienen hier meer dan ze in hun thuisland zouden verdienen. Zelfs de bedoen hebben genoeg geld.’

Zonder identiteit

Die bedoen zijn het ‘dirty little secret’ van Koeweit, zoals de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch het noemt. Ver buiten Koeweit Stad, onder de rook van een industrieterrein, ligt een sloppenwijk met huizen gebouwd van stukken wit golfplaat. Het is een plots stukje derde wereld in dit eerstewereldland.

Hier wonen de bedoen (‘zonder’): Koeweiti zonder identiteit. Het zijn mensen die hier al decennia wonen, maar niet zijn meegeteld bij de census in de jaren zestig. Op grond van die volkstelling is het Koeweits staatsburgerschap uitgereikt.

 Velen van hen hebben gevochten in de Eerste Golfoorlog (dat was toen Koeweit in augustus 1990 werd binnengevallen door Irak), hebben hier kinderen of zijn hier geboren. Maar ze hebben nooit de Koeweitse nationaliteit gekregen. Tot aan de Golfoorlog was dat geen probleem, ze hadden een identiteitskaart en konden naar school. Maar het land werd strenger. En daarbij: veel van de bedoen zijn van Palestijnse komaf. De toenmalige Palestijnse leider Yasser Arafat koos tijdens de Golfoorlog de kant van de Iraakse president Saddam Hoessein. Dat heeft Koeweit hem en zijn mede-Palestijnen nooit vergeven.

Nooit geboren

De mensen die in de huizen van golfplaat wonen hebben daarom geen paspoort en geen identiteitskaart. Ze zijn nooit geboren, kunnen niet trouwen, geen bankrekening openen, geen rijbewijs halen, niet werken, de grens niet over en niet doodgaan.

Ze zijn de enigen in Koeweit die in de golf van protesten in het Midden-Oosten óók de straat opgingen. ‘Geef ons de Koeweitse nationaliteit’, riepen ze, terwijl ze de nationale groen-wit-rood-zwarte vlag meedroegen en foto’s van de emir. De politie sloeg de demonstratie binnen tien minuten uit elkaar.